Naar boven
laatste herziening 2015
printversie

Dossier Groen als luchtfilter
'Groene oplossingen voor het verbeteren van de luchtkwaliteit'

Introductie

Anno 2010 voldeed Nederland nog niet overal aan de de Europese norm voor fijn stof. Het toenmalige ministerie van VROM (nu Infrastructuur en Milieu) meldde dat Nederland de EU-norm voor stikstofdioxide, die vanaf 1 januari 2010 geldt, op een aantal plaatsen niet heeft gehaald. Het kabinet heeft daarom het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) opgesteld om de luchtkwaliteit aanzienlijk te verbeteren.

Het onderwerp luchtkwaliteit verscheen echter al voor het eerst op de agenda toen in 1996 de Europese Kaderrichtlijn luchtkwaliteit verscheen. Maar luchtkwaliteit kreeg pas echt prioriteit toen in 1999 verschillende dochterrichtlijnen uitkwamen. In deze dochterrichtlijnen is achtereenvolgens vastgelegd welke normen voor specifieke stoffen gelden. Het gaat daarbij zowel om grenswaarden, als om richtwaarden en plandrempels. Plandrempels zijn toegestane overschrijdingsmarges in de periode dat grenswaarden nog niet gelden.

Mogelijke oplossingen voor het luchtkwaliteitsprobleem

Er zijn diverse oplossingen mogelijk om de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren. Zo kunnen roetfilters worden geplaatst in dieselauto's, kunnen intensieve veeboeren luchtwassers op de stallen plaatsen om de lucht schoner te maken en worden er onder andere tests uitgevoerd met diverse soorten geluidsschermen langs wegen.

Ook beplanting kan dienen als een filter van fijn stof. In dit dossier wordt dieper op ingegaan op het gebruik van beplanting als luchtfilter.

Beplanting draagt bij aan verlaging van de achtergrondconcentraties van fijnstof en NO2. In een verkeersintensieve stedelijke omgeving moet de beplanting echter wel voldoen aan specifieke voorwaarden om de luchtkwaliteit niet negatief te beïnvloeden. Dat stelt het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte CROW in 2012.

Welke problemen met de luchtkwaliteit zijn er?

De problemen met de luchtkwaliteit in Nederland ontstaan door fijn stof, stikstofdioxide en ozon. Vooral op plaatsen met een hoge verkeersintensiteit of veel industrie overstijgen de concentraties fijn stof en stikstofdioxide in de lucht de Europese grenswaarden, met als gevolg dat verschillende bouwprojecten, zoals wegverbreding en de aanleg van woonwijken langs snelwegen niet kunnen doorgaan. Daarbij verergeren deze projecten de situatie vaak door het toenemende verkeer.

De belangrijkste bronnen van luchtverontreiniging zijn het verkeer, de energievoorziening, de industrie, de landbouw en huishoudens. Daarnaast kunnen natuurverschijnselen zoals bosbranden ook luchtverontreiniging veroorzaken.

De luchtverontreiniging in Nederland komt voor 60 tot 80% door de uitstoot vanuit buitenlandse bronnen. Daarnaast dragen lokale bronnen eraan bij. Luchtverontreiniging is dus zowel een lokaal als een grensoverschrijdend probleem.

Fijn stof

Fijn stof (of PM10) is een verzamelnaam voor allerlei kleine deeltjes in de lucht: van zandkorrels en roetdeeltjes tot stukjes afgesleten autoband of wegdek. PM staat voor 'particulate matter' (fijn stof) en erachter wordt de diameter van de stofdeeltjes aangeduid. PM10 zijn deeltjes met een doorsnede van 10 micrometer (µm). Er bestaat ook PM2,5: deeltjes met een diameter van maximaal 2,5 µm. Deze deeltjes zijn nog fijner en schadelijker dan PM10.

Fijn stof kan ook ontstaan door reacties tussen verschillende gassen in de lucht, zoals ammoniumnitraat. Deze wordt gevormd door de verbinding van ammoniak (die bijvoorbeeld uit katalysators komt) met stikstof- of zwaveldioxide. De gemiddelde hoeveelheid fijn stof in de lucht is in Nederland hoger in het zuiden van het land, nabij grote steden en bij grote industriegebieden. Anno 2009 is de concentratie fijn stof al wel met ongeveer 25% afgenomen ten opzichte van 1994. Dit komt doordat Nederland al veel maatregelen heeft genomen om de uitstoot van fijn stof te verminderen.

Ruim de helft van het fijn stof in Nederland is van natuurlijke oorsprong. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld zeezout en bodemstof. De andere helft wordt veroorzaakt door menselijke activiteiten. Het verkeer is de grootste bron van fijn stof, vooral door het gebruik van diesel. Het verkeer stoot zo'n 40% van het fijn stof uit, op de voet gevolgd door de industrie die in 2010 naar verwachting evenveel uitstoot. De landbouw in Nederland, en dan met name de intensieve veehouderij (vooral pluimveehouderij) is goed voor ongeveer 15% van het fijn stof probleem in Nederland. Circa 30% waait over uit het buitenland. Nederland 'exporteert' driemaal zoveel fijn stof dan het vanuit het buitenland binnen krijgt.

De jaargemiddelde norm voor fijn stof wordt overal in Nederland gehaald. Dat is anders voor de daggemiddelde norm. De EU-norm (dochterrichtlijn fijn stof) bepaalt dat maximaal op 35 dagen per jaar de daggemiddelde concentratie van 50 microgram/m3 mag worden overschreden. Deze norm wordt met name langs drukke wegen en rond bedrijven voor intensieve veehouderij niet gehaald.

Naar schatting sterven in Nederland 2.300 tot 3.500 mensen eerder als gevolg van een kortdurende blootstelling aan fijn stof. De gevolgen aan langdurige blootstelling zijn onzeker. Uit onderzoek door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat er in Nederland jaarlijks gemiddeld 18.000 mensen vroegtijdig overlijden als gevolg van langdurige blootstelling aan fijn stof.

Stikstofdioxide

Stikstofoxiden (NOx) is de verzamelnaam voor verbindingen tussen zuurstof en stikstof. Stikstofoxiden zijn zeer schadelijk voor het milieu. De voornaamste zijn stikstofmonoxide (NO) en stikstofdioxide (NO2).

Stikstofdioxide is een giftig roodbruin gekleurd gas. Het ontstaat door uitstoot van elektriciteitscentrales, zware industrie en wegtransport, evenals door verbranding van biomassa. Ook bij bliksem wordt het geproduceerd. De EU-norm voor stikstofdioxide bedraagt 40 µg/m3 (microgram per kubieke meter). Dit is de jaargemiddelde norm. Deze norm wordt met name langs zeer drukke wegen overschreden.

In oktober 2004 publiceerde de ESA de resultaten van een onderzoek naar de concentratie stikstofdioxide op de aarde. De resultaten zijn verzameld met de satelliet Envisat. Uit de gegevens blijkt dat Vlaanderen en Nederland in één van de sterkst vervuilde gebieden liggen.

Stikstofdioxide (NO2) dringt door tot in de kleinste vertakkingen van de luchtwegen. Het kan bij hoge concentraties irritatie veroorzaken aan ogen, neus en keel. Bij blootstelling aan lage concentraties stikstofdioxide wordt een verminderde longfunctie waargenomen. Ook een toename van astma-aanvallen en ziekenhuisopnamen en een verhoogde gevoeligheid voor infecties komen voor.

Ozon

Op leefniveau (de zogenaamde troposfeer) wordt ozon onder invloed van zonlicht gevormd uit verschillende stoffen, waaronder vluchtige organische stoffen en stikstofoxiden. In de hogere luchtlagen, de stratosfeer, vormt ozon de bekende ozonlaag die beschermt tegen schadelijke ultraviolette straling.

In de lagere luchtlagen, op leefniveau, is ozon een vervuilende stof die een schadelijk effect heeft op mens en natuur. In de zomer is de ozonconcentratie op leefniveau hoger dan in de winter. Voor de vorming van ozon zijn veel zon, een hoge temperatuur en weinig wind bepalend. De hoogste ozonconcentraties ontstaan in de namiddag, een paar uur nadat de intensiteit van zonlicht het hoogst is. Andere stoffen, zoals stikofoxiden, zijn ook belangrijk bij ozonvorming. Deze ozonvormende stoffen komen vooral in de lucht terecht door activiteiten van de mens. De uitstoot door verkeer en industrie zorgt onder andere voor extra ozonvorming. Door de extra ozonvorming kan zomersmog ontstaan.

Ozon is de meest reactieve en giftige bestanddeel van zomersmog. Het dringt bij de inademing door tot in de kleinste luchtwegen en de longblaasjes en zorgt zo voor prikkeling van de slijmvliezen. De meest typische klachten van acute blootstelling aan ozon zijn een prikkelende ademhaling (hoesten) en irritatie van de ogen. Ook kan men last krijgen van verergering van luchtwegklachten, duizeligheid, misselijkheid of hoofdpijn.

Bij mooi zomerweer kan de concentratie ozon flink oplopen, een enkele keer zelfs tot het alarmniveau (240 µg/m3).

Werking van beplanting als filter

De laatste jaren worden er met diverse soorten beplanting en beplantingsvormen als luchtfilter proeven gehouden. Naast bomen en heesters is uit onderzoek gebleken dat ook mos en vetplanten als sedum fijn stof kunnen opvangen en vasthouden.

Alterra meldt dat voor zover bekend fijn stof geen negatieve effecten heeft op planten. Uiteindelijk komt fijn stof terecht op de grond en wordt het geadsorbeerd aan bodemdeeltjes. Fijn stof zelf zal weinig schadelijk zijn voor het milieu. Organische verbindingen die aan het stof zijn geadsorbeerd, kunnen door in de bodem aanwezige micro-organismen worden afgebroken. Zware metalen echter zullen in de bodem accumuleren.

De binding van fijn stof door groenelementen is echter niet zodanig dat groenelementen ingezet kunnen worden ter bestrijding van fijn stof in Nederland. Groenelementen kunnen wel ingezet worden om de lucht te zuiveren op plaatsen die op of tegen de grenswaarden zitten, de zogenaamde 'hotspots'. De beplanting kan op deze plaatsen helpen het aantal dagen dat de grenswaarde wordt overschreden te verminderen.

Het nut van beplanting om gevoelige bestemmingen te beschermen tegen luchtverontreiniging door het verkeer is niet aangetoond. Wel is in studies vastgesteld dat de luchtkwaliteit in stadsparken in het algemeen beter is dan in de omringende straten. Dit kan een indicatie zijn dat het aan te bevelen is om gevoelige bestemmingen in grotere groene gebieden aan te leggen met weinig emissies.

Mos

Uit onderzoek van de Universiteit van Bonn (D) blijkt dat mos fijn stof kan verteren. Het onderzoek toont aan dat 1 m2 mos jaarlijks ongeveer 20 gram fijn stof kan 'opeten'. En dat is volgens de onderzoekers 'een behoorlijke hoeveelheid'. Mos heeft geen wortels en kan met zijn hele oppervlakte stikstofverbindingen, fosfaten, calcium en dergelijke opnemen.

Inmiddels is de universiteit in Duitsland een proef begonnen langs de autoweg bij Bonn. In de proef wil men achterhalen of het daar geplante mos al het fijn stof weet op te nemen. Langs de autoweg 562 zijn zogenaamde mosmatten langs de middenberm gelegd.

Uit de proef is al wel gebleken dat mos alleen maar fijn stof kan opnemen wanneer het nat is. Bij droogte verliest het zijn filterende werking.

Bomen en heesters

Volgens onderzoeker Fred Tonneijck (Wageningen UR) wordt de economische waarde van bomen vaak vergeten. Groen kan een belangrijke rol vervullen bij de bestrijding van luchtvervuiling. Bomen vangen stikstofoxide, ozon, ammoniak, zwaveldioxide en vluchtige organische stoffen op; ze vangen vervuiling af via huidmondjes op de bladeren. Welke stoffen het best kunnen worden afgevangen hangt af van de soort boom en de bladersoort. Brede, dunne bladeren zijn zeer effectief. Bladeren met een dikke huidlaag vangen veel vluchtige organische stoffen weg. Bomen met ruwe, harige bladeren vangen fijn stof op. Door de grotere omvang, onderscheppen bomen fijn stof beter dan bijvoorbeeld struik en kruidachtigen.

Uit onderzoek blijkt dat dennensoorten een groter vermogen hebben om fijn stof te onderscheppen dan de meeste loofbomen. Hierbij gaat het dan om de effectiviteit per oppervlakte-eenheid. Alterra heeft becijferd dat een normale stadsboom jaarlijks 100 gram fijnstof kan opnemen. Daarmee worden ongeveer 3.300 autokilometers gecompenseerd.

Interceptie vindt plaats op het moment dat het fijn stof contact maakt met het groen. Een onregelmatige opbouw van de vegetatie zorgt voor meer turbulentie in de lucht waardoor er meer contactmomenten kunnen ontstaan. Hierbij zijn vegetatie-eigenschappen zoals de ruwheid van het oppervlak essentieel. Fijn stof hecht zich beter aan een bladoppervlak dat plakkerig, ruw en harig is, zeker als het vochtig is. Daarnaast zorgt de elektrostatische lading die vegetatie kan hebben, ook voor een groter interceptievermogen. De houtige delen van vegetaties dragen ook bij aan de interceptie, hierbij is de takstructuur van belang. Een deel van het fijn stof komt niet meer los van het blad. Een ander deel van het fijn stof kan als gevolg van hevige wind en regen loskomen. Dit deel komt in de lucht terecht of spoelt met het water weg of hecht zich aan andere oppervlakten. Gegevens over dit verwaaiings- en afspoelingspercentage zijn beperkt bekend. In berekeningen worden hierom veilige marges ingebouwd. Wetenschappers gaan uit van 50% resuspensie; dit wil zeggen dat van de totale hoeveelheid fijn stof die een boom opneemt, de helft weer verwaait naar de lucht. Bij afspoeling komt fijn stof niet terug in de lucht maar in de bodem. De mate van afspoeling varieert per plantensoort.

Een overzicht van soorten bomen en heesters en een waarde qua hoeveelheid afgevangen fijn stof, stikstofoxiden en ozon is te vinden op de website van Huverba.

Soort verontreiniging
Mechanisme
Geschikte bladkenmerken
Ozon, stikstofdioxide Absorptie Platte en brede bladeren van loofbomen
Vluchtige organische stoffen
(PCB’s, dioxinen, furanen)
Adsorptie Dikke en vetachtige waslaag (cuticula) op blad, vooral bij naaldbomen
Fijn stof (PM10) Impactie; Fijn stof valt of waait als het ware op het blad Spitse vorm zoals naalden van naaldbomen. Ruwe, behaarde en plakkerige bladeren van loofbomen.

(Bron: 'Bomen; een verademing voor de stad', PPH/VHG.)

Wat betreft de resuspensie van fijn stof. Bladeren van bepaalde plantensoorten zoals van Nelumbo nucifera (heilige lotus) zijn na een regenbui compleet schoon terwijl die van andere soorten dan nog volledig bezet zijn met stofdeeltjes. Dit heeft te maken met verschillen in het micro-relief van het bladoppervlak welke vooral worden veroorzaakt door verschillen in de epicuticulaire wasstructuur.
Er is relatief weinig onderzoek gedaan naar de interceptiecapaciteit van verschillende boomsoorten, maar op basis van bladkenmerken kan worden verwacht dat loofbomen zoals gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), vogelkers (Prunus padus) en zachte berk (Betulus pubescens) efficiënter zijn dan andere loofbomen. Op basis van de bladkenmerken kan ook worden verwacht dat rode kamperfoelie (Lonicera xylosteum), framboos (Rubus idaeus), wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia) en sleedooorn (Prunus spinosa) efficiënter zijn dan andere struikachtigen (Bron: Alterra - Wageningen UR).


Dak- en Gevelbegroeiing

Ook dak- en gevelbegroeiingen kunnen fijn stof opnemen. Uit onderzoek van Alterra van Wageningen UR blijkt dat 100 m2 begroeid oppervlak per jaar ongeveer 100 gram fijnstof kan opnemen. Lokale overheden in diverse gemeenten stimuleren vanwege de positieve effecten van dak- en gevelbegroeiing de aanleg van deze elementen (zie ook beleid van de overheden).

Groenelementen als bomen en heesters in straten kunnen het stromingspatroon van de lucht zo beïnvloeden dat de emissie van fijn stof langer in de straten blijft hangen. Het totale fijnstofgehalte in de lucht kan dan oplopen en de grenswaarden overschrijden. Daarom is het belangrijk voor de concentratie fijn stof in het stedelijk gebied dat de lucht ongehinderd door de straten kan stromen. Zo kan er schone lucht worden aangevoerd en vuile lucht worden afgevoerd.

Met het plaatsen van gevelbegroeiing wordt de hoeveelheid groen in de straten vergroot, waardoor er meer fijn stof wordt afgevangen, terwijl de doorstroom van lucht in de straten niet wordt gehinderd. Als er meer lucht door de straten stroomt zal er ook meer lucht langs de gevelbegroeiing stromen. Op deze manier zal er meer fijn stof gebonden worden.

Soorten dakbegroeiing
"Groene daken" is een verzamelnaam voor platte- en hellende daken met begroeiing. Die begroeiing kan bestaan uit vetplantjes (sedum), kruiden, mos en/of gras. Maar ook struiken en bomen zijn te gebruiken.

Er zijn intensieve of actieve groene daken. Deze zijn toegankelijk voor gebruikers. Deze daken vereisen een zwaardere dakconstructie. Ze hebben een dikke substraatlaag zodat verschillende planten inclusief bomen erop kunnen groeien. Bovendien hebben ze veel onderhoud nodig en moeten bij langdurige droogte besproeid worden.
Daarnaast zijn er extensieve of passieve groene daken. Deze daken hebben weinig onderhoud nodig en worden meestal beplant met sedum of gras. Ze zijn niet altijd toegankelijk.

De verschillende typen daken zijn:

  • Sedumdak
    Sedum is een klein soort vetplant. Het bestaat in verschillende kleuren, veelal rood en groen, en kan gecombineerd worden met mos. Sedumdaken kunnen in principe licht uitgevoerd worden: een substraatlaag van 3 cm kan voldoende zijn.
  • Kruidendak
    Hierbij zijn verschillende combinaties mogelijk van mos-, sedum- en kruiden. Ook dit zijn relatief lichte daken, al naar gelang de samenstelling.
  • Grasdak
    Een grasdak vereist een dikkere substraatlaag van mimimaal 8 cm bij een plat dak en minimaal 15 cm bij een hellend dak. Het gewicht vereist een zwaardere dakconstructie.
  • Tuindak
    Zeer gevarieerde begroeiïngsmogelijkheden waarbij ook te denken is aan struiken, bomen en vijvers.

Kosten van een groen dak
De kosten voor de aanleg van een groen dak hangen af van de kwaliteit en kenmerken van het bestaande dak en van de uiteindelijke inrichting. De gemiddelde aanlegkosten variëren van € 45/m2 voor een extensief dak tot € 120/m2 voor een intensieve daktuin.

Ontwerp en toepassen van beplanting

Verontreiniging wordt het best bestreden met een beplanting van verschillende soorten beplanting met verschillende bladeigenschappen. Deze moeten geplant worden in een open structuur om zo goed mogelijk wind te vangen. Bij een juiste toepassing geven bomen 15 tot 20% reductie van fijn stof, 10% minder stikstofoxide en 8% minder ozon. Essentieel is dat bomen niet aan de kant van de weg maar dichtbij de bebouwing staan. Op plekken met zeer veel verkeer en vrijwel geen luchtcirculatie kunnen beter geen bomen geplant worden. Voor een optimale filterende werking moet het groen niet te dicht bij de vervuilingsbron (zoals een snelweg) staan (op 100 à 200 meter afstand).

Ook de overheersende windrichting kan bij de positionering van het groen een factor van belang zijn. Uit onderzoek van Alterra blijkt dat dichte windsingels (gesloten lijnvormig element) weinig fijn stof en stikstofoxide afvangen. Door de dichte singel wordt de wind weggeleid van de beplanting. Een beplanting met alleen maar bomen is ook niet goed (onvolledig lijnvormig element). De wind kan onder de bomen door, en ook hier is het contact van de lucht met de bladeren minimaal. Het aanplanten van een poreus lijnvormig element (bijv. halfopen haag, of bomenrij met ondergroei) voldoet wel. Bij zo'n structuur komt de lucht wel voldoende in aanraking met de bladeren van de heesters en bomen. In het rapport 'Kleine landschapselementen als invangers van fijn stof en ammoniak' heeft Alterra ingeschat welke landschapselementen veel stof kunnen opvangen.

In de publicatie Beplanting en luchtkwaliteit (CROW, 2012) staan veel ontwerpaanbevelingen. Waarmee moet in de ontwerpfase rekening worden gehouden om toekomstige knelpunten met beplanting en luchtkwaliteit te voorkomen? Het is van groot belang om rekening te houden met de luchtstromingen in de straat. Beplanting kan in een straat fungeren als barrière voor de doorstroming, waardoor de vermenging met verse lucht vermindert. Daardoor wordt de vervuilde lucht niet goed verdund en gaat de luchtkwaliteit achteruit. Om die situatie te voorkomen, moet rekening worden gehouden met een aantal aspecten, zoals boomsoort, beoogde eindvorm, kroondichtheid, plantdichtheid, positionering en onderhoud. Vooral in een zogenoemde street canyon is de kans groot dat PM10 en NO2 onder het bladerdak blijven hangen, waardoor de luchtkwaliteit verslechtert.
Als grove vuistregel geldt dat de kronen van de bomen (in de eindvorm) elkaar niet mogen raken en dat de kronen niet meer dan 1/3e deel van de straat mogen overkappen. Een meer zuilvormige en open kroonstructuur bevordert eveneens de doorstroming (zie vraag 45). De bomen dienen minimaal 15 meter uit elkaar te staan en kunnen het beste enige meters van de wegrand worden geplaatst. Hierdoor hangen de bomen minder snel over de rijbanen. Dit is uiteraard afhankelijk van de boomsoort. In het beheer van de bomen moet erop worden gelet dat de bomen niet een te dichte kroon ontwikkelen, te ver over de straat gaan hangen en niet in elkaar groeien.

Schematisch stromingspatroon in een street canyon met bomen (CROW, 2012)

Park Klingerberg
Het park Klingerberg in Venlo is mede aangelegd alszijnde luchtfilter tussen de nieuwe snelweg A73-Zuid en de wijk Klingerberg. Het sortiment van het park en de aangelegde groenstructuur zijn speciaal ingericht voor het opvangen van fijn stof.

Vlakbij drukke wegen, in de bermen, zijn de planten dicht bij de grond van belang, zoals grassen en lage struiken die de uitlaatgassen direct aan de bron kunnen filteren. Wat verder van de wegen af, telt vooral de grootte van het bladopppervlak. Hier zijn het de stadsbomen die de lucht zuiveren. Sommige planten, zoals naaldbomen en coniferen, halen vervuiling uit de lucht doordat ze kleverig zijn door de hars in de boom.

Innovatieprogramma luchtkwaliteit

Het Innovatieprogramma Luchtkwaliteit werkt in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu aan oplossingen die bijdragen aan verbetering van de luchtkwaliteit op en rond snelwegen. De focus ligt hierbij op snelwegen bij dichtbevolkte gebieden.

Eén van de onderdelen waar onderzoek naar wordt gedaan in het innovatieprogramma is het inzetten van vegetatie langs snelwegen. Bomen en struiken kunnen de concentraties stikstofdioxide en fijnstof op leefniveau verminderen. Dit gebeurt door filtering en opstuwing van de lucht. Hiervoor is een set beplantingscriteria ontwikkeld. Omdat nog onvoldoende bekend is hoe dit 'groen' zich in de praktijk gedraagt, onderzoekt het Innovatieprogramma Luchtkwaliteit in hoeverre groen langs de weg de luchtkwaliteit kan verbeteren en/of een uitgekiend beplantingssysteem de werking kan versterken.

Gedurende het onderzoek hebben twee pilotprojecten plaats gevonden. Allereerst hebben een consortium van Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN), TNO Bouw en Ondergrond en het Plant Research International BV het effect van een bestaand groenvak langs de A50 ter hoogte van Vaassen op de luchtkwaliteit gemeten.

Tevens heeft het consortium Stadsregio Arnhem Nijmegen, Wageningen UR (Alterra, Animal Science Group, Meteorologie en Luchtkwaliteit), KEMA en Integralis PP onderzoek gedaan naar de rol van beplanting bij het voorkomen van de verspreiding van fijn stof. Zij hebben speciaal voor dit onderzoek twee proefvakken aangelegd langs de A50 ter hoogte van Valburg-Heteren. Deze proef viel binnen het project Flora dat onderdeel is van het milieuprogramma Eureka van de Stadsregio Arnhem Nijmegen.

Het doel van de twee pilotprojecten was het vaststellen van het effect dat verschillende soorten vegetatie (loofbomen en naaldbomen) hebben op de verbetering van de luchtkwaliteit langs snelwegen. De resultaten van beide metingen worden gebruikt als input voor een model waarmee het effect op de luchtkwaliteit in de toekomst kan worden voorspeld.

Het Innovatieprogramma Luchtkwaliteit werkt samen met kennis- en onderzoeksinstellingen, andere departementen, provincies, gemeenten en marktpartijen.

Wetenschappelijk onderzoek

Door het plaatsen van 'groene' schermen, gevels en daken of door de strategische aanplant van bos is een reductie van fijn stof in lucht van 10 tot 25% te bereiken. Die conclusie trekken onderzoekers van Alterra in het onlangs uitgegeven boekje ‘Groen voor lucht’.

De fijnstofproblematiek staat hoog op de politieke agenda van verschillende overheden, waaronder LNV. Alterra werkt sinds 2005 met een aantal steden, regio’s en projectontwikkelaars aan maatregelen die de concentratie fijn stof in de lucht kunnen verlagen. In de publicatie 'Groen voor Lucht' geven de onderzoekers een overzicht van de mogelijkheden die groen biedt om fijn stof op te vangen.

Het effect van zuivering hangt van een aantal factoren af, waaronder de hoeveelheid, vorm, positie en type van het groen. Optimalisatie van al deze factoren kan volgens de onderzoekers de fijnstofconcentratie in de lucht met een kwart terugdringen. Zij baseren deze conclusie op een uitgebreid internationaal onderzoek naar groene schermen, groene gevels en daken en de strategische aanplant van bomen.

Proef langs de A50
In 2008 heeft Alterra met de Stadsregio Arnhem-Nijmegen, KEMA, Wageningen Universiteit, de Animal Sciences Group en Integralis PP een uitgebreid meetonderzoek naar fijn stof verricht langs de A50 bij Valburg.


De proef werd uitgevoerd langs de rijksweg A50 ter hoogte van de Gelderse plaats Valburg. Op deze lokatie was sprake van een open windveld en weinig verstorende invloeden. Tevens heeft de A50 op dit punt een hoge verkeersintensiteit met veel files.

De meetlokatie was 300 meter lang en 10 meter breed. De lokatie was in drie vlakken verdeeld, een vak met lindes (Tilia tomentosa 'Brabant'), een vak met dennebomen (Pinus sylvestris) en een vak zonder beplanting. De betreffende gegevens zijn gemeten met meetmasten die vlak voor en achter de beplanting stonden.

Resultaten
Uit de meetproef bleek dat de gekozen vegetatie waarschijnlijk niet geschikt is om de luchtkwaliteit direct langs wegen te verbeteren. Door stuwing zou vegetatie op een korte afstand van de weg zelfs kunnen zorgen voor een slechtere luchtkwaliteit. De vegetatie is wel geschikt om de luchtkwaliteit in het gebied achter de vegetatie te verbeteren. Uit de proef bleek dat de afvangst van stikstofoxiden ongeveer 16% bleek te zijn. Het effect van de vegetatie op fijn stof kon niet worden gemeten doordat de meetmethoden niet bleken te voldoen.

Literatuurstudie Alterra

In het rapport 'Effecten van nabije natuur op gezondheid en welzijn' van Alterra - Wageningen UR wordt doormiddel van een literatuurstudie een indruk gegeven van de omvang van het effect van groen op de lokale luchtkwaliteit. Uit deze literatuurstudies blijkt dat diverse wetenschappers aangeven dat het effect van bomen op fijn stof in steden vrij gering is. Uit een onderzoek van Nowak (2006) blijkt bijvoorbeeld dat een 'tree cover' van 42% leidt tot een luchtkwaliteitsverbetering door de aanwezige stadsbomen op het aspect 'fijn stof' tot maximaal 1% (onderzoek in diverse steden). Een scenariostudie van McDonald uit 2007 geeft een niet veel beter resultaat aan. 1 tot 2% verbetering op de fijnstofconcentratie in het centrum van Glasgow bij een stijging van de 'tree cover' van 3,6 naar 21% (bijna 3.800 hectare aanplant van bos).

Studie van RIVM en GGD Amsterdam

Uit een studie van de RIVM en de GGD Amsterdam uit 2011 blijkt dat bomen zijn niet goed voor de luchtkwaliteit in Amsterdam. Ze houden wind tegen, waardoor fijn stof en uitlaatgassen blijven hangen in drukke straten. Parken en bossen zijn wel gunstig voor het verminderen van de concentraties stikstofdioxide en fijn stof in de stad. Dat komt vooral doordat er minder auto's rijden. Het positieve effect is bovendien uiterst beperkt. De luchtvervuiling in de omgeving daalt slechts met een half procent tot enkele procenten.

Overigens worden schadelijke stoffen wel afgevangen door bomen, stellen de onderzoekers. Maar bij het beoordelen van de invloed van bomen moet worden gekeken naar de concentraties vervuilende stoffen die in de lucht blijven hangen.

Beleid van de lagere overheden

Lokale- en regionale maatregelen kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan verbetering van de luchtkwaliteit. Zo kunnen gemeenten bijvoorbeeld een luchtkwaliteittoets invoeren die de effecten van plannen en ontwikkelingen op de luchtkwaliteit in kaart brengt. Zo kan een verdere achteruitgang van de luchtkwaliteit en de bouw van nieuwe scholen, woningen en sportvelden dicht langs snelwegen worden voorkomen (bron: RIVM).

Gemeenten worden ondersteund door het Rijk

Gemeenten hebben eerder al financiële ondersteuning gekregen via het investeringsbudget stedelijke vernieuwing (ISV) om de luchtkwaliteit te verbeteren. Er komt extra geld voor maatregelen voor gemeenten met grote luchtkwaliteitsproblemen.

Infomil

Ook Infomil, onderdeel van SenterNovem, biedt gemeenten ondersteuning en inzicht middels haar dossier 'ruimtelijke ordening en luchtkwaliteit' over de invloed van luchtkwaliteit in ruimtelijke plannen. Daarbij gaat het enerzijds om het vinden van oplossingen voor bestaande luchtkwaliteitsknelpunten. Anderzijds gaat het om het voorkomen van knelpunten door voldoende en vroegtijdige aandacht voor luchtkwaliteit. Zo wordt een positieve bijdrage aan de kwaliteit van ruimtelijke ontwikkelingen geleverd. Een luchtkwaliteitsplan van bijvoorbeeld een gemeente kan handvatten bieden voor het toepassen van (verkeers)maatregelen op het gebied van fijn stof. De Rijksoverheid heeft een handreiking, bedoeld voor medewerkers van de gemeenten die een luchtkwaliteitsplan gaan opstellen.

Subsidies

In diverse gemeenten wordt vanwege de positieve effecten van dak- en gevelbegroeiing de aanleg van deze elementen gestimuleerd met behulp van subsidies. De Nederlandse gemeenten volgen daarmee steden in landen als Scandinavië, IJsland en Canada. En ook in Duitsland wordt een zeer voortvarend beleid gevoerd waar het gaat om de daken van een groene bekleding te voorzien.

Een overzicht van kosten en subsidies van enkele grote gemeenten is te vinden op de website www.subsidiegroenedaken.nl.

Meer informatie:

Overige links

meer nieuws